“The beauty of a Pyrenean Mountain Dog is
timeless .”
Pyrenean Mountain Dog Breeder du domaine de Blanche-Neige
More information
Lijnuitval pyreneese berghond
Zacht begeleiden bij lijnuitval
Werk-e-book met oefeningen, aantekeningen en leermomenten
Een warm en praktisch e-book voor de Pyreneese Berghond en andere HSH-honden
Met TTouch, afstand, begrip en een maandtraining voor meer rust aan de lijn
Voorwoord
Een Pyreneese Berghond is geen hond die je zomaar even “bijstuurt” of corrigeert
op het moment dat het jou uitkomt. Wie met dit ras leeft, weet dat er achter die
zachte witte vacht een groot karakter schuilgaat.
Waaks, gevoelig, zelfstandig, trouw en vaak indrukwekkend sterk. En ja, soms ook
verdomd eigenwijs. Een Pyreneese Berghond denkt mee, beslist mee en voelt vaak
veel meer dan hij laat zien.
Wanneer een Pyreneese Berghond aan de lijn uitvalt naar een andere hond, kan dat
heftig zijn. Niet alleen omdat hij groot en krachtig is, maar ook omdat het iets met jou
doet. Misschien merk je dat je al gespannen raakt zodra je in de verte een andere
hond ziet. Je houdt de lijn korter, je hartslag gaat omhoog en ergens in je hoofd
klinkt al: als het maar niet weer gebeurt…
Nog voordat er iets gebeurt, voelt je hond dat er iets in jou verandert.
Dit werk-e-book is geschreven voor mensen die hun hond niet harder willen
aanpakken, maar beter willen begrijpen. Het is geen boek dat je alleen leest en
daarna weglegt. Het is een gids om mee te werken: kijken, noteren, oefenen,
terugblikken en leren zien welke kleine stappen er al gezet worden. Want juist bij
een Pyreneese Berghond begint verandering vaak niet met harder corrigeren, maar
met rust, inzicht en wederzijds vertrouwen.
Bij een Pyreneese Berghond, of bij een andere kuddebeschermingshond, is het niet
alleen belangrijk wat je oefent, maar vooral ook hoe je iets aanleert en opbouwt.
Hoe bied je een oefening aan?
Hoe klein maak je de stap?
Wanneer stop je op tijd?
En hoe weet je of je hond echt iets leert, of dat hij de situatie alleen maar probeert
vol te houden?
Juist daarom vind je in dit werk-e-book niet alleen uitleg, maar ook praktische
ondersteuning om echt met je hond aan de slag te gaan:
•
observatievragen;
•
invulpagina’s;
•
weekplanners;
•
checklists;
•
reflectiemomenten;
•
voorbeeldsituaties;
•
duidelijke stukken over “wel doen” en “niet doen”;
•
ruimte voor aantekeningen en leermomenten.
Zo wordt dit werk-e-book geen boek dat je alleen leest, maar een gids die je stap
voor stap helpt kijken, begrijpen, oefenen en groeien.
Ik heb ook TTouch in dit werk-e-book verwerkt. Niet als wondermiddel en ook niet
als dé oplossing voor alles. TTouch is geen walhalla waar alle problemen ineens
verdwijnen. Je mag het eerder zien als een zachte ingang naar meer rust, meer
lichaamsbewustzijn en het opbouwen van vertrouwen.
Samen met je Pyreneese Berghond ga je stap voor stap oefenen. Denk aan
afstandstraining, veilige lijnbegeleiding en een rustige opbouw in kleine tijdsblokken.
Zo kan je hond leren dat hij andere honden kan zien, en misschien later zelfs
ontmoeten, zonder zichzelf te verliezen.
Daarbij gaat het niet om snelheid. Het gaat er niet om dat alles gisteren al opgelost
had moeten zijn. Juist bij een Pyreneese Berghond telt de weg ernaartoe. Het
vertrouwen dat onderweg groeit, is vaak veel belangrijker dan hoe snel je resultaat
ziet.
Hoe gebruik je dit werk-e-book?
Gebruik dit boek langzaam. Lees niet alles in één keer om daarna meteen veel te
willen veranderen. Juist bij een gevoelige, zelfstandige pyreneese berghond werkt
leren beter wanneer je kleine stukjes kiest en die rustig herhaalt.
De werkwijze en opbouw
Elke oefening in dit werk-e-book volgt dezelfde leerweg:
1.Eerst begrijpen
Wat gebeurt er in je hond? Wat zie je aan zijn lichaam? Wat zegt zijn gedrag?
2.Dan observeren
Je noteert wat jouw hond doet vóór, tijdens en na spanning.
3.Daarna oefenen zonder prikkel
Nieuwe vaardigheden oefen je eerst thuis, in de tuin of op een rustige route
4.Daarna toepassen in het echte leven
Je gebruikt de oefening tijdens wandelingen, maar alleen als de situatie haalbaar is.
Altijd evalueren
Wat werkte? Wat was te moeilijk? Wat heeft je hond nodig om de volgende keer
zachter te blijven?
Jouw rol als begeleider
Je bent niet de commandant van je hond. Je bent zijn veilige gids.
Een Pyreneese Berghond wil vaak weten: “Heb jij het gezien? Begrijp jij waarom ik
reageer? Zorg jij voor ruimte?”
Dat is vaak wat je Pyreneese Berghond met zijn gedrag lijkt te vragen. Niet omdat hij
ongehoorzaam wil zijn, maar omdat hij probeert duidelijk te maken dat iets voor hem
te dichtbij, te spannend of te onveilig voelt.
Zijn reactie is dan geen koppigheid, maar een signaal: help mij om afstand te
nemen, overzicht te houden en weer rust te vinden.
Wanneer jij duidelijk, rustig en voorspelbaar handelt, hoeft je hond minder zelf te
regelen.
Werktempo
Werk liever met kleine, haalbare stappen dan met lange trainingen waarin je hond
steeds over zijn grens gaat.
Kies bijvoorbeeld voor:
•
3 minuten rustig en goed oefenen;
•
één ontmoeting op afstand waarbij je hond nog aanspreekbaar
blijft;
•
één goed gekozen U-bocht voordat de spanning te hoog wordt;
•
één wandeling zonder uitval;
•
één moment waarop je op tijd bent gestopt.
Dat lijkt misschien weinig, maar voor een Pyreneese Berghond kan juist dát veel
betekenen. Een korte oefening waarin hij rust ervaart, leert hem meer dan een lange
training waarin hij alleen maar probeert vol te houden.
Het doel is niet om zo lang mogelijk door te gaan. Het doel is dat je hond succes kan
ervaren, dat zijn lichaam weer tot rust komt en dat het vertrouwen tussen jullie stap
voor stap groeit.
Persoonlijke startnotitie
Gebruik deze ruimte voordat je begint.
Naam van mijn hond:
......................................................................
Leeftijd:
......................................................................
Ras/type:
......................................................................
Wat gebeurt er aan de lijn?
......................................................................
......................................................................
......................................................................
Wanneer gebeurt het vooral?
......................................................................
......................................................................
Waar maak ik mij het meeste zorgen over?
......................................................................
......................................................................
Wat hoop ik over vier weken te zien?
......................................................................
......................................................................
Wat wil ik vooral niet meer doen?
......................................................................
......................................................................
Wat wil ik mijn hond leren voelen?
......................................................................
......................................................................
Notities/aantekeningen
......................................................................
......................................................................
......................................................................
......................................................................
......................................................................
......................................................................
Inhoud
1.De Pyreneese Berghond aan de lijn begrijpen
2.Waarom uitvallen niet hetzelfde is als ongehoorzaamheid
3.De rol van waaksheid, zelfstandigheid en gevoeligheid
4.Wat TTouch kan betekenen bij spanning
5.Veiligheid eerst: materiaal, afstand en noodplan
6.De vier basisvaardigheden voor rustige wandelingen
7.Maandtraining week 1: rust, observeren en basisvertrouwen
8.Maandtraining week 2: honden zien zonder ontploffen
9.Maandtraining week 3: bewegen, bochten en parallel lopen
10.Maandtraining week 4: toepassen in echte wandelingen
11.Voorbeeldsessies voor veelvoorkomende situaties
12.Wat doe je als het toch misgaat?
13.Trainingsdagboek en evaluatie
14.Verder na deze maand
15.Slotwoord
1. De Pyreneese Berghond aan de lijn begrijpen
De Pyreneese Berghond behoort tot de grote kuddewaakhonden. Dat zie je niet
alleen aan zijn formaat, maar vooral aan zijn manier van kijken naar de wereld. Hij
observeert. Hij beoordeelt. Hij neemt zijn omgeving serieus.
Waar sommige honden bij een onbekende hond denken: “Leuk, spelen!”, kan een
Pyreneese Berghond eerder denken:
“Wie ben jij, waarom kom je dichterbij en moet ik hier iets mee?”
Dat is geen fout in het ras. Dat is een deel van zijn achtergrond. Ze zijn generaties
lang gefokt om zelfstandig te waken, situaties in te schatten en hun kudde of terrein
te beschermen. Dat betekent dat ze vaak sterk reageren op beweging, nadering en
spanning in hun omgeving.
Aan de lijn kan dat extra moeilijk worden. Een lijn beperkt de hond.
Hij kan niet vrij uitwijken, geen grote boog maken, niet op natuurlijke afstand blijven
en niet zelf kiezen hoe hij een ontmoeting opbouwt. Voor een zelfstandige waakhond
kan dat benauwend voelen.
Daarom is lijnuitval bij dit type hond niet alleen een trainingsprobleem. Het is vaak
een combinatie van instinct, spanning, verantwoordelijkheid, frustratie en gebrek aan
ruimte en vooral niet kunnen kiezen.
Een Pyreneese Berghond die uitvalt, doet dat meestal niet omdat hij “lastig” wil zijn.
Vaak vertelt hij op zijn eigen, grote en indrukwekkende manier:
“Dit komt te dichtbij. Ik weet niet zeker of dit veilig is. Ik neem het wel even over.”
En juist daar ligt onze taak. Niet om hem hard terug te duwen in gehoorzaamheid,
maar om hem stap voor stap te laten voelen dat hij het niet alleen hoeft te dragen.
Dat wij de situatie ook zien. Dat wij ruimte maken. Dat wij hem begeleiden.
Vertrouwen werkt daarbij twee kanten op.
Wij leren vertrouwen op wat onze hond ons met zijn lichaam vertelt. En onze hond
leert vertrouwen dat wij hem veilig door moeilijke momenten heen helpen.
Zo ontstaat er langzaam iets heel waardevols: hij hoeft niet meer meteen te regelen,
te waken of naar voren te schieten. Hij mag merken dat er ook een andere weg is.
Een weg van rust, afstand, duidelijkheid en samen kijken naar wat er gebeurt.
2. Waarom uitvallen niet hetzelfde is als ongehoorzaamheid
Veel eigenaren horen opmerkingen als:
“Je moet strenger zijn.”
“Hij moet gewoon luisteren.”
“Laat hem niet de baas zijn.”
“Corrigeer hem eens goed.”
Maar een Pyreneese Berghond die eenmaal boven zijn spanningsgrens zit, kan
vaak niet meer gewoon luisteren. Niet omdat hij niet wil, en ook niet omdat hij
“dwars” is, maar omdat het op dat moment niet meer goed bij hem binnenkomt. Zijn
lichaam is al in actie gekomen. Zijn spieren spannen zich aan, zijn ademhaling
verandert, zijn blik wordt harder en zijn gewicht gaat naar voren. Zijn hoofd is dan
niet meer bezig met leren, maar met reageren.
Bij een Pyreneese Berghond komt daar nog iets belangrijks bij. Dit zijn geen honden
die gemaakt zijn om klakkeloos commando’s op te volgen. Ze zijn van oorsprong
gefokt om zelfstandig situaties te beoordelen. Ze kijken, wegen af en nemen
verantwoordelijkheid als zij denken dat dat nodig is. Dat is juist een deel van hun
prachtige, maar soms ook uitdagende karakter.
Wanneer wij op zo’n moment alleen maar harder worden, kan hij juist het gevoel
krijgen dat hij nóg meer zelf moet regelen. Ook de lijn kort en strak houden of aan
hem trekken werkt vaak averechts. Voor ons voelt dat misschien als controle, maar
voor de hond bouwt het meestal alleen maar extra spanning op. Zijn lichaam krijgt
minder ruimte, de druk op de lijn wordt groter en de situatie voelt voor hem nog
dreigender of belangrijker.
Hij ziet een hond, voelt jouw spanning, ervaart druk op zijn lijf en merkt dat de lijn
strak wordt. Dan kan hij al snel denken: “Zie je wel, hier is iets aan de hand. Andere
honden betekenen gedoe.” Zo wordt de koppeling met andere honden steeds
sterker beladen. Niet omdat jij iets verkeerd wilt doen, maar omdat spanning zich
aan beide kanten van de lijn kan opstapelen.
Daarom werkt dwang vaak averechts. Een harde ruk aan de lijn, boosheid, heel kort
houden, straf of streng corrigeren onderdrukt misschien heel even het zichtbare
gedrag, maar het neemt de spanning eronder niet weg. Sterker nog: bij een
gevoelige, zelfstandige pyreneese berghond kan het juist bevestigen dat hij alert
moet blijven.
De doorbraak zit daarom meestal niet in kracht, maar in timing, rust en creativiteit.
Je helpt je hond het meest wanneer je de situatie vóór bent: wanneer je de andere
hond op tijd ziet, de afstand goed inschat, ruimte maakt en op een vriendelijke
manier zijn aandacht kunt terughalen.
Soms doe je dat door een ruime boog te lopen. Soms door hem te laten snuffelen.
Soms met een rustige U-bocht. Soms door even achter een auto, heg, muurtje of
boom te gaan staan. Dat is geen falen en ook geen “toegeven”. Het is slim
begeleiden. Je voorkomt dat zijn spanning verder oploopt en geeft hem de kans om
weer te kunnen nadenken.
Het doel is dus niet om het blaffen met kracht te onderdrukken. Het doel is om je
hond vóór dat punt te helpen, zodat hij niet hoeft te ontploffen. Je leert hem stap
voor stap: “Ik heb het gezien. Je hoeft het niet alleen op te lossen. We maken
samen een veiligere keuze.”
Het doel is om vóór het blaffen al te helpen.
Je wilt dat je hond leert:
•
Ik mag een andere hond zien.
•
Ik hoef er niet naartoe te schieten.
•
Mijn mens ziet het ook.
•
Er komt ruimte.
•
Ik word niet gedwongen.
•
Ik kan weer ademen.
Dat is geen snelle truc. Dat is vertrouwen opbouwen.
3. De rol van waaksheid, zelfstandigheid en gevoeligheid
Pyreneese Berghond kan in zijn reactie groot en indrukwekkend zijn. Zijn blaf, zijn
houding en zijn kracht kunnen veel indruk maken. Maar onder die sterke buitenkant
zit vaak een heel gevoelige hond.
Een Pyr voelt stemming, spanning en onrust vaak haarfijn aan. Hij merkt het
wanneer jij je adem inhoudt, de lijn iets korter neemt of zelf onzeker wordt.
Soms lijkt hij aan de buitenkant nog rustig, terwijl hij vanbinnen al druk bezig is met
kijken, voelen en inschatten.
Hij verzamelt informatie.
Wie komt daar aan?
Hoe beweegt die hond?
Is mijn mens ontspannen?
Is er genoeg ruimte?
Moet ik iets doen?
Juist daarom is het zo belangrijk om niet alleen naar het grote gedrag te kijken,
zoals blaffen of trekken, maar ook naar de kleine signalen daarvoor. Want vaak
vertelt je Pyreneese Berghond al veel eerder dat de spanning oploopt.
Let bij jouw Pyr op kleine signalen voordat hij uitvalt:
•
hij stopt plots met snuffelen;
•
zijn hoofd komt hoger;
•
zijn lichaam wordt stiller;
•
zijn bek sluit;
•
zijn staart wordt stijver;
•
zijn oren veranderen van positie;
•
zijn blik blijft hangen op de andere hond;
•
hij beweegt langzamer of juist sneller;
•
hij neemt geen voer meer aan;
•
hij leunt naar voren.
Bij veel Pyreneese Berghonden is het moment vóór de uitval opvallend stil. Ze
blaffen niet meteen. Ze kijken. Ze wegen af. En dan, als de afstand te klein wordt,
schieten ze naar voren.
Daarom moet jij leren kijken naar de stilte vóór de storm.
Dat is waar de training begint.
4. Wat TTouch kan betekenen bij spanning
De Tellington TTouch-methode werkt met zachte aanrakingen, rustige beweging en
meer lichaamsbewustzijn. Het kan een mooie ondersteuning zijn om een hond te
helpen zakken in spanning, maar het vraagt wel om het juiste moment.
Bij een hond die fel uitvalt aan de lijn, gebruik je TTouch niet om hem midden in een
uitbarsting “even rustig te aaien”. Hoe lief dat ook bedoeld is, op dat moment is zijn
lichaam al volledig in actie. Hij staat aan, zijn aandacht zit bij de andere hond en
aanraking kan dan juist te veel zijn.
Bij een Pyreneese Berghond is dat extra belangrijk om serieus te nemen. Het is een
grote, krachtige hond en wanneer hij boven zijn spanningsgrens zit, kan aanraking
hem laten schrikken of nog meer druk geven. Dan kan het zelfs onveilig worden, niet
omdat hij “slecht” is, maar omdat hij op dat moment niet meer rustig kan verwerken
wat er gebeurt.
TTouch of zachte aanraking gebruik je daarom liever vóór de wandeling, op rustige
momenten, of ná een spannende situatie wanneer je hond weer bereikbaar is. Dan
kan het helpen om zijn lichaam zachter te laten worden en hem opnieuw te laten
voelen: “Ik ben veilig, ik hoef het niet allemaal alleen te regelen.”
TTouch gebruik je vooral op drie momenten:
1.vóór de wandeling, om zachter te vertrekken;
2.tijdens rustige trainingsmomenten, op veilige afstand van prikkels;
3.na een wandeling, om spanning uit het lijf te laten zakken.
Voor een Pyreneese Berghond kan TTouch waardevol zijn omdat dit ras vaak sterk
in zijn lichaam aanwezig is. Een grote hond die spanning opbouwt, zet veel kracht
vast in borst, schouders, nek, rug en poten. Zachte aanraking kan helpen om die
gebieden bewuster te maken.
Belangrijk is dat TTouch nooit dwingend wordt. Je hond mag wegstappen. Dat is
geen mislukking. Dat is communicatie.
Eenvoudige TTouch-start voor jouw hond
We gaan het rustig oefenen
Kies een moment waarop je hond al redelijk ontspannen is. Niet vlak na een uitval,
niet wanneer er bezoek in huis is en ook niet wanneer je merkt dat hij al hoog in
spanning zit. Dit is geen oefening om spanning “weg te duwen”, maar om je hond
zachtjes te helpen zijn lichaam weer te voelen.
Ga naast je hond zitten of staan. Buig niet recht over hem heen, want dat kan voor
een hond snel te veel voelen. Zeker een Pyreneese Berghond waardeert het vaak
als je hem met rust en respect benadert. Leg één hand rustig op zijn borst of zijkant,
alleen als hij dat prettig vindt. Die hand hoeft niets te doen. Hij is er alleen als zachte
steun.
Met je andere hand maak je een paar kleine, rustige cirkelbewegingen op zijn
schouder. Denk aan heel lichte druk. Je masseert niet diep in de spier, je duwt niets
los en je hoeft niets “op te lossen”. Je neemt alleen de huid zachtjes mee in een
kleine ronde beweging.
Doe drie cirkels.
Stop dan even.
Kijk wat je hond doet.
Misschien zucht hij diep. Misschien worden zijn ogen zachter. Misschien verplaatst
hij zijn gewicht een beetje of gaat hij opnieuw rustig snuffelen. Dat zijn mooie
signalen dat zijn lichaam iets meer ontspanning toelaat.
Maar ook andere signalen zijn belangrijk. Kijkt hij weg, verstijft hij, loopt hij weg of
begint hij te hijgen, dan vertelt hij je dat het te veel is. Dan doe je minder, zachter of
je stopt helemaal. Dat is geen mislukking. Dat is juist goed luisteren.
Rustige strijking langs het lichaam
Een fijne oefening om af te sluiten is een rustige strijking over het lichaam. Deze
beweging wordt binnen TTouch vaak Noah’s March genoemd.
Bij een grote hond als de Pyreneese Berghond kun je met een vlakke, zachte hand
langzaam langs de zijkant van het lichaam strijken, van de schouder richting de
achterhand. Niet hard, niet masserend en niet alsof je iets moet wegwerken. Meer
alsof je tegen je hond zegt:
“Voel je lichaam maar even. Je bent hier. Je bent veilig.”
Gebruik deze rustige strijking bijvoorbeeld na een wandeling waarin je hond een
andere hond heeft gezien, ook als hij niet is uitgevallen. Juist dan kan het helpen om
het moment netjes af te ronden. De spanning hoeft niet in zijn lijf te blijven hangen.
Hij mag weer zakken, ademen en thuiskomen bij zichzelf.
5. Veiligheid eerst: materiaal, afstand en noodplan
Veiligheid is onderdeel van de training
Een Pyreneese Berghond is groot, sterk en indrukwekkend. Juist daarom is
veiligheid geen bijzaak, maar een belangrijk onderdeel van je training. Niet omdat je
je hond niet vertrouwt, maar omdat je hem én jezelf de beste kans wilt geven om
rustig te kunnen leren.
Als jij stevig staat, goed materiaal gebruikt en overzicht hebt, ontstaat er meer rust
aan beide kanten van de lijn. Je hoeft dan minder te “overleven” en kunt beter
begeleiden.
Materiaal dat helpt
Gebruik bij voorkeur een goed passend Y-tuig dat de schouders vrijlaat. Zo kan je
hond natuurlijk bewegen en krijgt hij geen onnodige druk op zijn hals of borst.
Een stevige lijn van ongeveer 2 tot 3 meter geeft vaak meer rust dan een hele korte
lijn. Je hond heeft dan iets meer ruimte om te bewegen, terwijl jij nog steeds veilig
kunt begeleiden.
Bij een sterke hond kan een tweede veiligheidslijn prettig zijn, bijvoorbeeld één lijn
aan het tuig en één extra lijn aan de halsband. Dat geeft jou meer zekerheid, zeker
op plekken waar onverwacht andere honden kunnen verschijnen.
Zorg ook voor voertjes die je hond echt waardevol vindt. Buiten, met spanning in de
buurt, is een gewoon brokje soms ineens niet meer interessant. Kies iets waar je
hond wél even voor wil meedenken.
Draag schoenen waarin jij stevig staat. Dat klinkt misschien simpel, maar bij een
grote hond maakt het echt verschil. Als jij stabiel staat, voelt je hond vaak ook sneller
dat jij de situatie kunt dragen.
Kies daarnaast een rustige plek met overzicht. Een open veld, breed pad of ruime
parkeerplaats is veel geschikter dan een smalle stoep waar je geen kant op kunt.
Een heuptas of jaszak waarin je snel bij voer kunt, is ook handig. Je wilt niet eerst
drie minuten in je zakken hoeven zoeken terwijl je hond denkt: “Mens, regel dit nou
eens.”
Wat je beter vermijdt
Gebruik liever geen slipketting, prikband of harde correctiemiddelen. Bij een hond
die al spanning voelt rond andere honden, kunnen pijn, schrik of druk de koppeling
met andere honden juist zwaarder maken.
Je hond ziet dan een andere hond, voelt spanning in jouw lichaam, krijgt druk of pijn
op zijn lijf en kan gaan denken: “Zie je wel, andere honden betekenen gedoe.”
Veilig materiaal helpt je niet om je hond te overheersen, maar om hem eerlijker te
begeleiden. Het geeft jullie allebei ruimte om te oefenen zonder dat de spanning
meteen hoger wordt.
Afstand is je belangrijkste hulpmiddel
Bij een hond die uitvalt aan de lijn, is afstand vaak het grootste cadeau dat je hem
kunt geven. Niet omdat je de situatie wilt vermijden, maar omdat je je hond de kans
wilt geven om nog te kunnen nadenken.
Een hond die op 8 meter uitvalt, moet niet op 8 meter trainen. Dan is hij al te dicht bij
zijn grens. Je begint verder weg. Soms veel verder.
Voor een gevoelige Pyreneese Berghond kan 40 of 50 meter in het begin heel
normaal zijn. Dat is geen zwakte en ook geen achteruitgang. Het is het punt waarop
leren weer mogelijk wordt. Pas als je hond nog lucht, ruimte en overzicht heeft, kan
hij iets nieuws opnemen.
Een goede trainingsafstand herken je hieraan:
•
je hond ziet de andere hond;
•
hij kan nog ademhalen;
•
hij kan nog voer aannemen;
•
hij kan nog wegkijken;
•
hij kan nog met jou meebewegen;
•
hij herstelt binnen enkele seconden;
•
zijn lichaam blijft nog enigszins zacht;
•
hij kan na het kijken weer snuffelen.
Is dat niet zo, dan sta je waarschijnlijk te dichtbij. Dan hoef je niet harder je best te
doen, maar maak je de oefening makkelijker. Meer afstand is dan geen mislukking,
maar precies de juiste keuze.
Het noodplan
Je hebt altijd een noodplan nodig voor onverwachte honden. Niet omdat je ervan
uitgaat dat het misgaat, maar omdat de wereld nu eenmaal niet altijd netjes
meewerkt. Soms komt er ineens een hond uit een bocht, uit een tuin, van achter een
auto of vrolijk los aangerend met een eigenaar die roept: “Hij doet niks hoor.”
Op zo’n moment is het fijn als jij al weet wat je gaat doen.
Wanneer er plots een hond te dichtbij komt:
1.
Zeg rustig: “Kom, we gaan.”
2.
Draai met je hele lichaam weg, niet alleen met je arm.
3.
Begeleid je hond mee met voer voor zijn neus als dat nodig is.
4.
Maak afstand zonder rukken of trekken.
5.
Gebruik eventueel een auto, heg, oprit, boom of muurtje als visuele barrière.
6.
Blijf zelf zo rustig mogelijk ademen.
7.
Laat je hond daarna snuffelen of strooi een paar voertjes op de grond.
8.
Geef hem even tijd om weer te landen.
Een rustige vluchtweg is geen falen. Het is goede begeleiding. Je laat je hond
daarmee voelen: “Ik heb het gezien. Ik regel ruimte voor ons. Jij hoeft dit niet alleen
op te lossen.”
De vier basisvaardigheden voor rustige wandelingen
Voordat je gericht gaat oefenen met andere honden in beeld, is het fijn als je hond
eerst een paar eenvoudige vaardigheden kent. Zie het als jullie gereedschapskist
voor onderweg. Je gebruikt ze niet pas wanneer de spanning al hoog zit, maar
oefent ze eerst op makkelijke momenten: in huis, in de tuin, op een stille straat of
tijdens een rustige wandeling.
Zo leert je Pyreneese Berghond de oefeningen kennen zonder druk. En jij leert ze
inzetten zonder haast.
1. De zachte U-bocht
De U-bocht is eigenlijk je reddingsboei tijdens wandelingen. Niet spectaculair, wel
ontzettend handig.
Loop rustig met je hond. Zeg zacht: “Deze kant.” Draai daarna met je hele lichaam
om en nodig je hond uit om met je mee te bewegen. Zodra hij meedraait, beloon je
hem rustig.
Oefen dit eerst zonder andere honden in beeld. Gewoon in huis, in de tuin of op een
rustige route. Dan wordt het een vertrouwde beweging voordat je hem echt nodig
hebt.
Bij een Pyreneese Berghond is het belangrijk dat je niet trekt of hem omduwt met de
lijn. Jij beweegt eerst. Jij nodigt uit. De lijn volgt, maar dwingt niet. Zo leert je hond:
als mijn mens omdraait, is dat geen paniek, maar een veilige keuze.
2. Kijk rustig, dan terug
Je hond mag een andere hond zien. Hij hoeft niet te leren dat andere honden niet
bestaan. Dat zou ook een beetje lastig worden, want helaas verdwijnen ze niet
omdat wij dat graag willen.
Wat hij wél mag leren, is dat kijken veilig kan zijn.
Op grote afstand ziet je hond een andere hond. Zolang hij nog rustig kan kijken, zeg
je kalm: “Ja.” Daarna geef je een voertje laag bij jou of op de grond. Je helpt hem
om niet vast te blijven plakken in zijn blik.
Het patroon wordt:
kijken – ademhalen – terugkomen – iets fijns ontvangen
En dus niet:
staren – spanning opbouwen – ontploffen
Dit is een belangrijke oefening, omdat je hond leert dat hij de wereld mag
waarnemen zonder meteen iets te hoeven regelen.
3. Zoek maar
Snuffelen is voor veel honden een natuurlijke manier om spanning te laten zakken.
Het hoofd gaat omlaag, de ademhaling verandert en het lichaam krijgt weer iets
anders te doen dan staren of naar voren schieten.
Strooi 5 tot 8 kleine voertjes op de grond en zeg rustig: “Zoek maar.” Laat je hond
zijn neus gebruiken. Niet haasten, niet trekken, gewoon even zoeken.
Gebruik deze oefening bijvoorbeeld:
•
na een kijkmoment;
•
na een U-bocht;
•
na een schrikmoment;
•
Wanneer je hond iets spanning opbouwt maar nog bereikbaar is;
als herstelmoment na het zien van een andere hond.
Voor een Pyreneese Berghond kan dit heel helpend zijn, omdat hij even uit zijn
hoofd en terug in zijn lijf komt. Hij hoeft niet te blijven kijken naar wat spannend is.
Hij mag snuffelen, zakken en herstellen.
4. Stop en adem
Deze oefening lijkt klein, maar is waardevol. Zeker voor een grote waakhond die
snel denkt: “Wacht maar, ik regel dit wel even.”
Loop rustig. Stop. Ontspan je schouders. Adem langzaam uit. Wacht één seconde.
Beloon als je hond ook maar iets zachter wordt. Dat kan klein zijn: hij snuffelt, kijkt
even naar jou, brengt zijn gewicht iets naar achteren of schiet simpelweg niet naar
voren.
Je hoeft geen groot commando te geven. Het gaat juist om rust.
Met deze oefening leert je hond dat stilstaan niet betekent dat hij moet opletten,
waken of reageren. Stilte kan ook veiligheid zijn. Even stoppen kan betekenen: we
hebben tijd, we hebben ruimte, er hoeft nu niets opgelost te worden.
Voor een Pyreneese Berghond is dat een mooie les. Hij hoeft niet altijd de
verantwoordelijkheid te nemen. Soms mag hij gewoon naast je staan, ademhalen en
merken dat jij de situatie ook ziet.
7. Maandtraining week 1
Rust, observeren en basisvertrouwen
Doel van week 1
In deze eerste week ga je nog niet actief honden opzoeken om te trainen. Dat komt
later pas. Nu draait het vooral om rust, kijken en begrijpen.
Je eerste doel is om minder situaties uit te lokken waarin je hond over zijn grens
gaat. Iedere uitval die je voorkomt, is winst. Niet omdat je iets “vermijdt”, maar omdat
je je hond de kans geeft om weer wat zachter in zijn lijf te komen.
Deze week leer jij vooral kijken:
•
wanneer bouwt mijn hond spanning op?
•
hoe ziet hij erui t voordat hij reageert?
•
op welke plekken wordt het moeilijk?
•
wanneer kan hij nog snuffelen, eten en contact maken?
•
wanneer is het eigenlijk al te veel?
Voor een Pyreneese Berghond is dit heel belangrijk. Hij kan aan de buitenkant rustig
lijken, terwijl hij vanbinnen al druk bezig is met beoordelen. Week 1 helpt jou om die
kleine signalen eerder te zien.
Wandelbeleid week 1
Kies deze week voor rustige routes. Denk aan brede paden, open plekken en tijden
waarop er minder honden buiten zijn. Vermijd voorlopig smalle stoepen, drukke
losloopgebieden en paden waar honden plots uit een bocht kunnen verschijnen.
Wandel liever korter en rustiger dan lang en gespannen. Een wandeling hoeft deze
week geen sportprestatie te zijn. Voor een Pyreneese Berghond is een rustige
snuffelwandeling vaak veel waardevoller dan kilometers maken met een lijf vol
alarm.
Deze week kies je bewust voor:
•
rustige wandelmomenten;
•
brede paden met overzicht;
•
plekken waar je makkelijk kunt uitwijken;
•
korte wandelingen met veel snuffeltijd;
•
minder ontmoetingen aan de lijn;
•
herstel na iedere prikkel.
Deze week vermijd je liever:
•
smalle paden;
•
drukke losloopgebieden;
•
frontale ontmoetingen met andere honden;
•
lange wandelingen waarin je hond steeds hoger in spanning komt;
•
“we moeten hier nu maar even langs”-situaties;
•
oefenen op plekken waar jij zelf al gespannen wordt.
Dagelijkse zachte thuissessie
Duur: 3 tot 5 minuten.
Houd het kort. Je hoeft geen lange behandeling te geven. Het gaat om een rustig
moment van contact, niet om “even snel de spanning eruit halen”.
Stap 1: observeren
Ga rustig bij je hond zitten of staan en kijk zonder iets van hem te vragen.
Let op:
•
waar draagt hij spanning?
•
zijn zijn schouders zacht of stevig?
•
hoe houdt hij zijn nek?
•
is zijn staart ontspannen of strak?
•
hoe ademt hij?
•
is zijn kaak los of gesloten?
•
staan zijn poten ontspannen of gespannen?
•
kan hij rustig liggen of blijft hij alert?
Je hoeft nog niets te veranderen. Alleen kijken is al oefenen.
Stap 2: zachte schoudercirkels
Als je hond aanraking prettig vindt, maak je 3 tot 6 zachte cirkels op zijn schouder.
Werk licht en rustig.
Niet duwen.
Niet masseren.
Niet “iets losmaken”.
Alleen zacht contact, alsof je zegt: “Ik ben er. Je hoeft even niets.”
Stop daarna. Kijk wat je hond doet.
Stap 3: rustige strijking langs de zijkant
Strijk 2 of 3 keer rustig met een vlakke hand langs de zijkant van zijn lichaam, van
schouder richting achterhand.
Niet hard en niet snel. Meer als een zachte afronding.
Je hond mag daarbij blijven staan, zitten of liggen. Hij hoeft niet in een perfecte
houding te blijven. Een Pyreneese Berghond houdt graag wat eigen waardigheid
over.
Stap 4: afronden
Laat je hond daarna zelf kiezen wat hij doet.
Hij mag:
•
wegstappen;
•
gaan liggen;
•
drinken;
•
snuffelen;
•
zich uitschudden;
•
rustig bij je blijven.
Je hoeft niets af te dwingen. Juist dat maakt deze oefening waardevol.
Buiten oefenen zonder honden
Tijdens elke wandeling oefen je de basisvaardigheden nog zonder andere honden in
beeld. Zo worden ze vertrouwd voordat je ze echt nodig hebt.
Oefen per wandeling:
•
5 keer een zachte U-bocht
Zeg rustig: “Deze kant”, draai met je hele lichaam en beloon als je hond meedraait.
•
3 keer “zoek maar”
Strooi een paar voertjes op de grond en laat je hond rustig snuffelen.
•
3 keer stop-en-adem
Stop even, ontspan je schouders, adem uit en beloon als je hond ook maar iets
zachter wordt.
Doe dit juist wanneer er niets aan de hand is. Dan worden het gewone, veilige
bewegingen. Later, wanneer er wél spanning is, herkent je hond ze al.
Week 1 dagschema
Maandag
Thuis:
Zachte aanraking op schouders en zijkant. Houd het kort en rustig.
Buiten:
Kies een rustige route en oefen 5 zachte U-bochten zonder prikkel.
Aantekening:
Waar voelde mijn hond vandaag het meest ontspannen?
Dinsdag
Thuis:
Alleen observeren en eventueel één korte aanraking als je hond daar open voor
staat.
Buiten:
Oefen “zoek maar” op drie rustige plekken.
Aantekening:
Kon mijn hond makkelijk snuffelen?
Woensdag
Thuis:
Geen druk. Alleen een kort rustmoment samen.
Buiten:
Maak een snuffelwandeling zonder trainingsdruk. Laat je hond rustig informatie
verzamelen met zijn neus.
Na afloop:
Eventueel 2 minuten rustige strijking langs de zijkant.
Aantekening:
Waar werd mijn hond rustiger van?
Donderdag
Thuis:
Zachte schoudercirkels, 3 tot 6 keer, daarna stoppen.
Buiten:
Oefen stop-en-adem op rustige momenten.
Aantekening:
Wat gebeurde er toen ik zelf rustiger ademde?
Vrijdag
Thuis:
Kort observeren. Kijk vooral naar schouders, staart, bek en ademhaling.
Buiten:
Kies een route met overzicht. Noteer op welke afstand je hond andere honden
opmerkt.
Aantekening:
Wanneer zag mijn hond de andere hond eerder dan ik?
Zaterdag
Thuis:
Alleen zachte aanraking als je hond daar zin in heeft.
Buiten:
Korte wandeling. Vermijd drukte. Beloon vrijwillig contact met jou, zoals even
omkijken of vanzelf dichterbij lopen.
Aantekening:
Wanneer zocht mijn hond uit zichzelf contact?
Zondag
Rustdag.
Vandaag hoeft er niets “getraind” te worden. Alleen management, ontspanning en
eventueel een korte zachte sessie.
Aantekening:
Wat heb ik deze week beter leren zien aan mijn hond?
Leermoment van week 1
Aan het einde van deze week kijk je niet naar perfectie. Je kijkt naar bewustwording.
Vraag jezelf af:
•
Welke signalen zag ik eerder dan normaal?
•
Welke route gaf de meeste rust?
•
Wanneer kon mijn hond goed snuffelen?
•
Wanneer werd het te moeilijk?
•
Wat hielp mij om rustiger te blijven?
•
Wat hielp mijn hond om sneller te herstellen?
Week 1 is geslaagd als je je hond beter bent gaan lezen. Niet als alles al opgelost is.
Kleine rustmomenten zijn de basis voor de volgende stap.
8. Maandtraining week 2
Honden zien zonder te ontploffen
Doel van week 2
In week 2 leert je hond dat hij een andere hond mag zien, zonder er meteen naartoe
te hoeven schieten. Het doel is dus nog niet passeren, begroeten of dichtbij komen.
Het doel is veel kleiner, maar ontzettend belangrijk:
kijken – rustig blijven – weer kunnen loslaten.
Je zoekt deze week nog steeds geen ontmoeting. Je zoekt afstand, overzicht en
succes. Voor een Pyreneese Berghond is dat heel belangrijk. Hij moet kunnen
ervaren: “Ik zie die andere hond wel, maar ik hoef er niets mee. Mijn mens heeft het
ook gezien.”
Dat is waar vertrouwen begint.
Kies een goede plek
De plek waar je oefent, maakt een groot verschil. Een smal pad waar je geen kant
op kunt, is geen fijne leeromgeving. Dan wordt het al snel overleven in plaats van
trainen.
Kies liever een plek waar je overzicht hebt en makkelijk afstand kunt maken.
Geschikte plekken zijn bijvoorbeeld:
•
een groot open veld;
•
een brede parkeerplaats;
•
een ruim park op een rustig moment;
•
een rustige weg met uitwijkmogelijkheden;
•
een breed wandelpad waar je makkelijk een boog kunt maken;
•
een plek waar je achter een auto, heg, boom of muurtje kunt gaan staan.
Vermijd deze week liever:
•
smalle paden;
•
drukke losloopgebieden;
•
plekken waar honden plots uit bochten verschijnen;
•
routes waar je geen kant op kunt;
•
drukke tijdstippen;
•
situaties waarin jij zelf al gespannen wordt.
Je wilt kunnen kiezen: blijven, boog maken, afstand nemen of rustig weggaan.
Keuze geeft rust. Voor jou én voor je hond.
Trainingssessie week 2
Duur: 10 tot 15 minuten.
Kort is goed. Zeker bij een hond die snel spanning opbouwt. Je hoeft geen lange
training te doen om vooruitgang te boeken. Eén goed kijkmoment op afstand kan
waardevoller zijn dan een wandeling vol moeilijke ontmoetingen.
Stap 1: ontspannen start
Begin niet meteen met “honden zoeken”. Laat je hond eerst rustig landen.
Doe bijvoorbeeld:
•
even rustig snuffelen;
•
langzaam wandelen;
•
een paar voertjes zoeken in het gras;
•
eventueel twee zachte schoudercirkels, als je hond daarvoor openstaat;
•
even samen stilstaan en ademen.
Je wilt dat je hond vanuit een zo rustig mogelijk begin start. Als hij al hoog in
spanning zit voordat hij een andere hond ziet, is de kans groter dat hij snel over zijn
grens gaat.
Stap 2: een hond in de verte zien
Ziet je hond een andere hond op afstand? Wacht dan niet tot hij fixeert.
Zolang hij nog zacht blijft in zijn lijf, markeer je dat moment rustig. Zeg bijvoorbeeld
zacht:
“Ja.”
Daarna geef je een voertje laag bij jou of op de grond. Laag belonen helpt vaak
beter dan hoog voor zijn neus, omdat zijn hoofd dan wat naar beneden gaat en hij
makkelijker uit het staren komt.
Let op dat je het juiste moment pakt:
•
hij ziet de hond;
•
hij blijft nog stil of zacht;
•
hij kan nog ademhalen;
•
hij kan nog voer aannemen;
•
hij is nog bereikbaar.
Dát is het moment waarop leren mogelijk is.
Stap 3: kort herhalen
Laat hem eventueel nog één keer rustig kijken. Blijft hij bereikbaar? Beloon opnieuw.
Houd het klein. Je hoeft niet tien keer achter elkaar te oefenen. Bij een Pyreneese
Berghond is het vaak beter om één of twee goede herhalingen te doen en daarna
weer ruimte te maken.
Een goed patroon is:
•
hond zien;
•
rustig kijken;
•
“ja”;
•
voertje laag;
•
eventueel nog één keer kijken;
•
weer belonen;
•
daarna afstand maken.
Zo leert je hond: een andere hond zien betekent niet automatisch spanning, trekken
of blaffen. Het kan ook betekenen: kijken, iets fijns krijgen en weer verder.
Stap 4: weg bewegen
Na twee of drie goede kijkmomenten zeg je rustig:
“Deze kant.”
Daarna maak je een ruime boog weg van de andere hond. Je hoeft niet recht om te
draaien alsof er brand is, maar je kiest vriendelijk meer ruimte.
Strooi eventueel een paar voertjes in het gras en zeg:
“Zoek maar.”
Dat helpt je hond om te snuffelen en de spanning weer te laten zakken.
Stop terwijl het goed gaat. Dat is belangrijk. Ga niet dichterbij omdat het net goed
ging. Dat is vaak het moment waarop mensen te veel willen en honden alsnog over
hun grens gaan.
Succes is niet: “Hoe dichtbij kwamen we?”
Succes is: “Kon mijn hond rustig blijven en herstellen?”
Voorbeeldsituatie
Je staat op ongeveer 45 meter afstand van een wandelpad. Er loopt een hond
voorbij. Jouw Pyreneese Berghond tilt zijn hoofd op en kijkt.
Je blijft rustig.
Je ademt uit.
Je zegt zacht: “Ja.”
Je legt een voertje op de grond.
Hij eet het.
Hij kijkt opnieuw naar de hond.
Zijn lijf blijft nog redelijk zacht.
Je zegt weer: “Ja.”
Je beloont opnieuw.
Daarna zeg je: “Deze kant.”
Je draait rustig weg in een boog.
Je strooit een paar voertjes in het gras.
Hij gaat snuffelen.
Dit lijkt misschien klein, maar dit is precies waar het leren begint. Je hond heeft een
andere hond gezien zonder te ontploffen. Hij heeft gekeken, gegeten, losgelaten en
kon weer bewegen.
Dat is geen kleine oefening.
Dat is een grote stap richting vertrouwen.
Wanneer is de afstand goed?
De afstand is goed wanneer je hond:
•
de andere hond ziet;
•
nog kan ademhalen;
•
nog voer kan aannemen;
•
niet volledig verstijft;
•
nog met jou mee kan bewegen;
•
na het kijken weer kan snuffelen;
•
binnen enkele seconden kan herstellen;
•
niet in de lijn hangt;
•
niet vast blijft plakken met zijn blik.
•
De afstand is te klein wanneer je hond:
•
geen voer meer aanneemt;
•
blijft staren;
•
zijn lichaam hard maakt;
•
naar voren gaat hangen;
•
begint te piepen, blaffen of grommen;
•
niet meer kan wegkijken;
•
niet meer met je mee kan bewegen;
•
na afloop lang onrustig blijft.
Als dat gebeurt, is dat geen ramp. Het is informatie. De volgende keer neem je meer
afstand of kies je een rustigere plek.
Wat doe je als het toch te moeilijk wordt?
Soms blijkt de afstand toch te klein. Of de andere hond komt sneller dichterbij dan je
dacht.
Doe dan dit:
1.
Zeg rustig: “Kom, we gaan.”
2.
Draai met je hele lichaam weg.
3.
Begeleid je hond mee zonder rukken.
4.
Maak afstand.
5.
Gebruik eventueel een auto, boom, heg of muurtje als scherm.
6.
Strooi voertjes op de grond zodra je hond weer een beetje bereikbaar is.
7.
Geef hem daarna tijd om te herstellen.
Je hoeft niet te blijven staan “om het af te maken”. Een oefening afbreken voordat
het misgaat, is juist goed trainen.
Week 2 dagschema
Maandag
Oefening:
Eén korte afstandssessie.
Doel:
Je hond ziet maximaal één of twee honden op grote afstand.
Let op:
Stop terwijl het goed gaat.
Aantekening:
Op welke afstand bleef mijn hond rustig?
Dinsdag
Oefening:
Geen gerichte hondentraining.
Doel:
Rustige wandeling, veel snuffelen en eventueel thuis een korte zachte aanraking.
Let op:
Vandaag hoeft je hond niets te bewijzen.
Aantekening:
Hoe herstelde mijn hond na een rustige dag?
Woensdag
Oefening:
Afstandstraining herhalen.
Doel:
Let vooral op herstel na het kijken.
Let op:
Kan je hond na het zien van een andere hond weer snuffelen?
Aantekening:
Hoe snel kwam mijn hond terug in rust?
Donderdag
Oefening:
Alleen basisvaardigheden oefenen.
Gebruik:
•
zachte U-bocht;
•
“zoek maar”;
•
stop-en-adem.
Doel:
De oefeningen vertrouwd houden zonder extra prikkels.
Aantekening:
Welke basisvaardigheid ging het makkelijkst?
Vrijdag
Oefening:
Korte sessie met kijken-en-terug.
Doel:
Eén of twee rustige kijkmomenten op veilige afstand.
Let op:
Stop vóór je hond moe of gespannen wordt.
Aantekening:
Wanneer had ik moeten stoppen? Of stopte ik precies op tijd?
Zaterdag
Oefening:
Snuffelwandeling zonder trainingsdoel.
Doel:
Ontspanning, herstel en gewoon samen wandelen.
Let op:
Een wandeling zonder trainingsdruk is óók training voor het zenuwstelsel.
Aantekening:
Waar werd mijn hond zichtbaar rustiger van?
......................................................................
......................................................................
......................................................................
......................................................................
Zondag
Evaluatie:
Kijk rustig terug op week 2.
Vraag jezelf af:
•
op welke afstand bleef mijn hond bereikbaar?
•
welke plek werkte het beste?
•
welke hondensituatie was te moeilijk?
•
kon mijn hond voer aannemen?
•
kon hij na het kijken weer snuffelen?
•
wat deed ik goed?
•
wat wil ik volgende week eerder doen?
Leermoment van week 2
Week 2 is geslaagd als je hond één of meerdere keren een andere hond heeft
kunnen zien zonder volledig over zijn grens te gaan. Het hoeft nog niet perfect. Hij
hoeft nog niet dicht langs andere honden te lopen. Hij hoeft alleen te leren dat kijken
veilig kan zijn.
Voor een Pyreneese Berghond is dit een belangrijke les:
Ik zie het.
Mijn mens ziet het ook.
Er is ruimte.
Ik hoef het niet alleen te regelen.
9. Maandtraining week 3
Bewegen, bochten en parallel lopen
Doel van week 3
In week 3 leert je hond niet alleen rustig kijken naar een andere hond, maar ook
rustig bewegen terwijl er op afstand een hond aanwezig is.
Voor veel Pyreneese Berghonden is beweging belangrijk. Stil moeten blijven staan
kan de spanning soms juist groter maken, vooral wanneer je hond begint te fixeren.
Zijn lijf zet zich vast, zijn blik blijft hangen en voor je het weet staat hij klaar om te
reageren.
Zachte beweging helpt om dat patroon te doorbreken. Door te lopen, bochten te
maken en ruimte te houden, blijft zijn lichaam losser. Hij hoeft niet recht vooruit, niet
strak naast je, niet “door de spanning heen”. Hij mag bewegen met jou, op een
manier die veilig voelt.
Parallel lopen
Parallel lopen betekent dat je in dezelfde richting loopt als een andere hond, maar
op ruime afstand. Je loopt dus niet recht op elkaar af en je passeert niet op een smal
pad. Je beweegt als het ware naast elkaar in de verte, met genoeg ruimte ertussen.
Voor veel honden voelt dat veiliger dan frontaal naderen. En voor een Pyreneese
Berghond is dat vaak heel logisch: hij kan de andere hond zien, maar hoeft er niet
direct iets mee.
Begin op een afstand waarop jouw hond nog ontspannen genoeg is. Dat kan 30, 40
of zelfs 50 meter zijn. Die afstand is niet te groot als je hond daar kan leren.
Beloon je hond wanneer hij:
•
rustig meeloopt;
•
even kijkt en daarna weer loslaat;
•
kan snuffelen;
•
een zachte lijn houdt;
•
met jou meebeweegt;
•
zijn lichaam ontspannen houdt;
•
na het kijken weer kan herstellen.
Als je merkt dat je hond spanning opbouwt, maak je de afstand groter. Dat is geen
stap terug. Dat is goed begeleiden.
Bochten rond objecten
Gebruik wat de omgeving je geeft. Een boom, bankje, paaltje, grote steen of zelfs
een brede struik kan een fijne hulp zijn.
Loop rustig met je hond in een boog om het object heen. Stop af en toe. Laat hem
snuffelen. Wandel daarna rustig verder.
Dat lijkt misschien heel eenvoudig, maar voor je hond gebeurt er veel. Hij moet zijn
lichaam buigen, zijn poten anders plaatsen en zijn aandacht verdelen. Daardoor
komt hij minder snel vast te zitten in staren of spanning.
Je kunt oefenen met:
•
een ruime boog om een boom;
•
langzaam om een bankje heen lopen;
•
een grote cirkel rond een paaltje;
•
een slingerbeweging tussen twee objecten;
•
even stoppen en daarna rustig verdergaan.
Houd het vriendelijk en licht. Geen scherpe bochten, geen trekken aan de lijn, geen
haast.
Slingerend wandelen
Wanneer er op grote afstand een hond aanwezig is, loop je niet strak rechtdoor.
Recht vooruit lopen kan voor honden snel voelen alsof je ergens op af moet.
Daarom maak je rustige, brede bochten.
Je loopt bijvoorbeeld een klein beetje naar links, dan weer iets naar rechts. Niet
overdreven, niet gehaast, maar alsof je samen rustig door de ruimte beweegt.
Jij laat met je lichaam zien:
•
Er is ruimte.
•
We hoeven niet recht op de spanning af.
•
We kunnen kiezen.
Dat helpt je hond om minder vast te lopen in zijn hoofd. Hij hoeft niet te denken:
“Daar is die hond, ik moet daar iets mee.” Hij voelt: “We bewegen samen, mijn mens
heeft overzicht.”
Wat wel doen in week 3
•
Kies ruime plekken met overzicht.
•
Begin op grote afstand.
•
Beloon rustig meelopen.
•
Beloon snuffelen en loslaten.
•
Maak zachte bochten.
•
Houd de lijn los en vriendelijk.
•
Stop voordat je hond moe of gespannen wordt.
•
Geef na elke prikkel herstelruimte.
Wat liever niet doen
•
Niet recht op een andere hond aflopen.
•
Niet oefenen op smalle paden.
•
Niet de afstand verkleinen omdat het één keer goed ging.
•
Niet trekken om je hond door een bocht te krijgen.
•
Niet blijven staan als je hond begint te fixeren.
•
Niet te lang doorgaan.
Week 3 dagschema
Maandag
Oefening:
Parallel lopen op ruime afstand.
Duur:
Maximaal 5 minuten.
Let op:
Kan je hond nog snuffelen, voer aannemen en met jou meebewegen?
Aantekening:
Welke afstand voelde veilig?
Dinsdag
Thuis:
Zachte aanraking op schouders en borst.
Afsluiting:
Rustige strijking langs de zijkant van het lichaam.
Let op:
Blijft je hond bij je of loopt hij liever weg? Allebei is informatie.
Aantekening:
Waar werd mijn hond zachter van?
Woensdag
Buiten:
Bochten lopen rond objecten, zonder actief honden op te zoeken.
Gebruik bijvoorbeeld:
•
een boom;
•
een bankje;
•
een paaltje;
•
een grote steen;
•
een brede struik.
Aantekening:
Welke bocht ging het makkelijkst?
Donderdag
Oefening:
Afstandstraining met één of twee honden in de verte.
Doel:
Kijken, belonen, loslaten en daarna bewegen.
Let op:
Niet blijven staan tot je hond fixeert. Beweging mag helpen.
Aantekening:
Kon mijn hond na het kijken weer verder wandelen?
Vrijdag
Rustdag of snuffelwandeling.
Vandaag hoeft er niets bewezen te worden. Een rustige wandeling zonder
trainingsdruk helpt het zenuwstelsel herstellen.
Aantekening:
Hoe was mijn hond na een rustige dag?
Zaterdag
Oefening:
Parallel lopen als de situatie veilig is.
Als het te druk is of de afstand niet groot genoeg is, kies je voor:
•
een U-bocht;
•
meer afstand;
•
een snuffelmoment;
•
een rustigere route.
Aantekening:
Welke keuze hielp ons vandaag het meest?
Zondag
Evaluatie:
Kijk terug op week 3.
Vraag jezelf af:
•
herstelt mijn hond sneller dan in week 1?
•
kan hij beter bewegen na het zien van een hond?
•
blijft de lijn vaker zacht?
•
helpt snuffelen na een kijkmoment?
•
welke omgeving gaf de meeste rust?
•
waar werd het nog te moeilijk?
Leermoment van week 3
Week 3 is geslaagd als je hond leert dat hij niet hoeft te verstijven wanneer er op
afstand een andere hond is. Hij mag kijken, bewegen, snuffelen en weer verder.
Voor een Pyreneese Berghond is dat waardevol. Hij leert niet alleen: “Daar is een
hond.”
Hij leert ook:
Ik hoef niet recht vooruit.
Ik hoef niet vast te zetten.
Ik kan met mijn mens meebewegen.
Er is ruimte.
10. Maandtraining week 4
Toepassen in echte wandelingen
Doel van week 4
In week 4 ga je alles wat je de afgelopen weken hebt geoefend gebruiken tijdens
gewone wandelingen. Niet door ineens moeilijke situaties op te zoeken, maar door
beter voorbereid te zijn wanneer ze vanzelf ontstaan.
Je hond hoeft na vier weken nog niet ontspannen langs elke hond te kunnen lopen.
Dat is bij veel honden een langer traject, zeker bij grote, zelfstandige waakhonden
zoals de Pyreneese Berghond. Deze honden hebben tijd nodig om te voelen dat jij
de situatie ziet, ruimte maakt en hen veilig begeleidt.
Deze maand is al geslaagd als:
•
je hond sneller herstelt na het zien van een andere hond;
•
jij eerder de eerste signalen herkent;
•
er minder uitvallen zijn;
•
de uitvallen korter duren;
•
je hond vaker kan kijken zonder te ontploffen;
•
je hond sneller weer kan snuffelen;
•
de lijn vaker zacht blijft;
•
jij meer rust en regie voelt.
Het gaat dus niet om perfectie. Het gaat om kleine veranderingen die samen
vertrouwen opbouwen.
Passeren: alleen als het kan
In deze week ga je misschien af en toe een andere hond passeren, maar alleen als
de situatie veilig en haalbaar is. Je hoeft niet iedere ontmoeting aan te gaan. Soms
is afstand kiezen de beste training.
Passeer alleen wanneer:
•
het pad breed genoeg is;
•
je hond nog voer kan aannemen;
•
de lijn zacht kan blijven;
•
de andere hond rustig is;
•
jij een uitweg hebt;
•
je hond niet fixeert;
•
jij zelf nog rustig kunt blijven;
•
je hond na het kijken nog kan meebewegen.
Passeer liever niet wanneer:
•
het pad smal is;
•
de andere hond strak naar jouw hond kijkt;
•
jouw hond al hoog in spanning zit;
•
jij geen kant op kunt;
•
je hond geen voer meer aanneemt;
•
je hond begint te verstijven;
•
jij voelt dat je zelf bevriest;
•
je eigenlijk al denkt: “O jee, dit wordt lastig.”
In dat geval kies je voor afstand. Dat is geen falen. Dat is verstandig begeleiden.
De veilige passeerboog
Als je een andere hond op tijd ziet en er is genoeg ruimte, maak dan een ruime
boog. Je loopt dus niet recht op de andere hond af, maar kiest een zachtere lijn.
Ga ruim opzij. Houd, als dat veilig kan, jezelf tussen jouw hond en de andere hond.
Laat je hond niet strak vooruit fixeren, maar beloon kort kijken en daarna weer
loslaten.
Na het passeren geef je herstelruimte. Laat je hond snuffelen, wandel rustig verder
of strooi een paar voertjes op de grond.
Een goede passeerboog voelt niet gehaast. Je hond hoeft niet “netjes strak naast” te
lopen. Hij mag ruimte voelen. Juist die ruimte helpt hem om niet te ontploffen.
Week 4 dagschema
Maandag
Oefening:
Gewone wandeling met bewust management.
Doel:
Elke hond die je ziet betekent: afstand inschatten, rustig kijken, belonen of
wegdraaien.
Aantekening:
Wanneer zag ik de situatie op tijd?
Dinsdag
Oefening:
Korte zachte thuissessie en rustige snuffelwandeling.
Thuis:
•
zachte aanraking op schouders;
•
rustige strijking langs de zijkant;
•
daarna afronden en niets afdwingen.
Buiten:
Veel snuffelen, weinig trainingsdruk.
Aantekening:
Hoe snel zakte mijn hond vandaag in rust?
Woensdag
Oefening:
Passeerboog oefenen op ruime afstand.
Doel:
Alleen oefenen als de situatie veilig is.
Let op:
•
breed pad;
•
rustige andere hond;
•
voldoende afstand;
•
zachte lijn;
•
jouw hond blijft bereikbaar.
Aantekening:
Was de boog ruim genoeg?
Donderdag
Rustdag van bewuste hondentraining.
Vandaag hoeft je hond niets te bewijzen. Maak een ontspannen wandeling, kies een
rustige route en geef veel ruimte om te snuffelen.
Aantekening:
Wat doet een rustige dag met mijn hond?
Vrijdag
Oefening:
Parallel lopen of kijken-op-afstand.
Doel:
Je hond ziet een andere hond, maar blijft op veilige afstand en kan weer loslaten.
Aantekening:
Kon mijn hond na het kijken weer verder met mij?
Zaterdag
Oefening:
Eén gecontroleerde trainingssessie.
Doel:
Kies één haalbare situatie. Stop na succes.
Succes kan zijn:
•
rustig kijken;
•
voer aannemen;
•
een U-bocht maken;
•
snuffelen na spanning;
•
niet uitvallen;
•
sneller herstellen dan eerder.
Aantekening:
Wat was ons kleine succes vandaag?
Zondag
Evaluatie en plan voor de volgende maand.
Kijk rustig terug. Niet streng, maar eerlijk en warm.
Vraag jezelf af:
•
wat is er verbeterd?
•
waar werd het nog te moeilijk?
•
welke afstand werkte goed?
•
welke route gaf rust?
•
welke oefening hielp het meest?
•
wat wil ik volgende maand verder opbouwen?
•
waar moet ik nog meer ruimte geven?
Leermoment van week 4
Week 4 is geslaagd als jij en je hond beter voorbereid zijn in het echte leven. Niet
als alle problemen verdwenen zijn.
Een Pyreneese Berghond leert niet door druk, maar door duidelijke, veilige
herhaling. Iedere keer dat jij op tijd afstand maakt, een boog kiest, je hond helpt
herstellen of zelf rustig blijft, groeit er vertrouwen.
Je hond leert:
Mijn mens ziet het.
Ik hoef niet alles alleen te regelen.
Er is ruimte.
We kunnen samen veilig verder.
11. Voorbeeldsessies voor veelvoorkomende situaties
Sommige situaties kom je steeds opnieuw tegen tijdens het wandelen. Het helpt om
vooraf al te weten wat je kunt doen. Dan hoef je op het moment zelf minder te
improviseren, en dat geeft rust aan beide kanten van de lijn.
Bij een Pyreneese Berghond is het belangrijk om vroeg te handelen. Niet wachten
tot hij volledig in de lijn hangt, maar al begeleiden zodra je ziet dat zijn lichaam
verandert.
Situatie 1: een hond komt frontaal op jullie af
Frontaal naderen is voor veel honden spannend. Voor een Pyreneese Berghond kan
het voelen alsof de andere hond rechtstreeks zijn ruimte binnenkomt. En als hij
denkt dat zijn ruimte niet veilig is, kan hij snel besluiten: “Dan regel ik het wel.”
Wat doe je?
•
Draai vroegtijdig weg.
•
Maak een ruime boog.
•
Gebruik rustig je woord: “Deze kant.”
•
Houd de lijn zo zacht mogelijk.
•
Strooi voertjes in het gras zodra je afstand hebt.
•
Blijf niet staan wachten tot het misgaat.
•
Geef je hond na afloop even tijd om te snuffelen.
Zeg eventueel rustig tegen de andere eigenaar:
“Wij hebben wat ruimte nodig.”
Dat is genoeg. Je hoeft geen hele uitleg te geven.
Situatie 2: jouw hond gaat liggen en fixeert
Veel mensen denken dat liggen altijd ontspanning is. Bij honden die uitvallen is dat
niet altijd zo. Sommige honden gaan juist liggen om zich klaar te maken. Het
lichaam wordt laag, de blik wordt strak en daarna kan er ineens een explosieve
sprong komen.
Bij een Pyreneese Berghond kan dat indrukwekkend snel gaan. Hij lijkt misschien
stil, maar vanbinnen is hij al druk bezig.
Wat doe je?
•
Wacht niet te lang.
•
Maak de afstand groter.
•
Lok rustig met voer laag bij zijn neus.
•
Draai zijwaarts weg.
•
Trek hem niet hard naar achteren.
•
Gebruik eventueel: “Kom, we gaan.”
•
Laat hem daarna snuffelen om spanning te laten zakken.
Wat liever niet?
•
Niet blijven staan kijken wat er gebeurt.
•
Niet streng “blijf” of “zit” blijven zeggen.
•
Niet aan de lijn gaan sleuren.
•
Niet dichterbij laten komen omdat hij “toch ligt”.
Liggen met fixeren is geen rust. Het is vaak spanning in stilte.
Situatie 3: jouw hond wil naar de andere hond toe
Soms is het geen angst, maar frustratie. Je hond wil naar de andere hond toe, maar
de lijn houdt hem tegen. Daardoor bouwt spanning op. Hij wil vooruit, kan niet verder
en ontploft.
Ook dat is spanning. Ook dat vraagt begeleiding.
Wat doe je?
•
Sta geen lijncontact toe.
•
Houd afstand.
•
Beloon rustig kijken.
•
Beloon loslaten van de blik.
•
Maak een boog weg van de andere hond.
•
Gebruik “zoek maar” om zijn neus weer aan het werk te zetten.
•
Overweeg contact alleen in een veilige, losse en goed begeleide situatie.
Wat liever niet?
•
Niet denken: “Hij wil alleen maar spelen, dus het is goed.”
•
Niet naar de andere hond toe laten trekken.
•
Niet aan de lijn laten begroeten als hij al hoog in spanning zit.
•
Niet toestaan dat frustratie zichzelf beloont doordat hij uiteindelijk tóch bij de hond
komt.
Een hond die graag naar andere honden wil, moet óók leren wachten, kijken,
loslaten en ontspannen.
Situatie 4: een loslopende hond komt naar jullie toe
Dit is een moeilijke situatie, zeker met een grote hond aan de lijn. Je hebt niet alles
in de hand, en dat kan spannend voelen. Juist dan helpt een eenvoudig plan.
Wat doe je?
•
Blijf zo rustig mogelijk.
•
Zet jezelf, als dat veilig kan, tussen de honden.
•
Zeg duidelijk: “Roep uw hond terug.”
•
Beweeg weg in een boog.
•
Gebruik een auto, heg, hek, boom of muurtje als scherm.
•
Gooi eventueel een handje voer van jullie af om de andere hond af te leiden.
•
Breng jouw hond daarna uit de situatie.
•
Geef je hond tijd om te herstellen.
Wat liever niet?
•
Niet gaan schreeuwen als dat niet nodig is.
•
Niet blijven staan afwachten.
•
Niet jouw hond dwingen om de andere hond te begroeten.
•
Niet boos worden op jouw hond als hij reageert.
Een loslopende hond die zomaar op jullie afkomt, is voor jouw hond vaak geen
oefening maar een overval. Dan kies je veiligheid.
Situatie 5: je hond heeft net uitgevallen
Na een uitval is je hond niet meteen klaar voor een nieuwe oefening. Zijn lichaam zit
nog vol spanning. Ook al is de andere hond weg, in je hond gebeurt nog van alles.
Hij heeft tijd nodig om weer te zakken.
Wat doe je?
•
Maak afstand.
•
Wandel rustig weg.
•
Laat hem snuffelen.
•
Strooi eventueel voertjes op de grond.
•
Ga naar huis of naar de auto als dat beter is.
•
Geef thuis rust.
•
Doe eventueel later een korte rustige strijking langs zijn lichaam, maar alleen als
hij daarvoor openstaat.
Wat liever niet?
•
Niet alsnog “nog één keer goed oefenen”.
•
Niet mopperend blijven napraten.
•
Niet meteen een nieuwe hondensituatie opzoeken.
•
Niet denken dat alles mislukt is.
Na een uitval is verwerken belangrijker dan trainen.
12. Wat doe je als het toch misgaat?
Uitvallen kan gebeuren, ook als je goed traint. Soms zie je de andere hond te laat.
Soms is de afstand te klein. Soms komt een hond onverwacht uit een bocht. Dat
betekent niet dat alles mislukt is.
Een uitval is informatie. Geen bewijs dat je hond stout is. Geen bewijs dat jij gefaald
hebt.
Tijdens de uitval
Probeer vooral veiligheid en ruimte te creëren.Doe dit wel:
•
blijf zo rustig mogelijk;
•
houd de lijn stevig vast zonder harde rukken;
•
draai je lichaam weg van de andere hond;
•
maak afstand zodra dat kan;
•
gebruik een lage, rustige stem;
•
scherm eventueel af met je lichaam, een auto, heg, boom of muurtje;
•
breng je hond uit de situatie;
•
geef daarna herstelruimte.
Doe dit liever niet:
•
word niet boos;
•
ruk niet hard aan de lijn;
•
blijf niet recht tegenover de andere hond staan;
•
roep niet eindeloos “zit”;
•
dwing geen oogcontact af;
•
probeer de situatie niet alsnog “af te maken”;
•
blijf niet te lang hangen op dezelfde plek.
Op zo’n moment kan je hond meestal niet meer leren. Eerst moet hij weer veilig uit
de situatie komen.
Na de uitval
Als jullie weer op afstand zijn, geef je hond dan tijd. Laat hem snuffelen, rustig lopen
of even stilstaan. Sommige honden moeten zich uitschudden. Andere honden willen
gewoon weg. Dat mag.
Vraag jezelf later, wanneer alles weer rustig is:
•
Was de afstand te klein?
•
Kwam de andere hond frontaal?
•
Was mijn hond al moe?
•
Had ik de eerste signalen gemist?
•
Was de route te druk?
•
Was ik zelf gespannen?
•
Had mijn hond pijn of ongemak?
•
Was er te weinig ruimte om uit te wijken?
•
Welke keuze hielp wel, ook al was het maar een beetje?
•
Wat kan ik de volgende keer eerder doen?
Belangrijk om te onthouden
Je hoeft na een moeilijk moment niet harder te worden. Je hoeft vooral duidelijker,
rustiger en eerder te begeleiden.
Een Pyreneese Berghond leert niet door schaamte, strijd of druk. Hij leert door
herhaling, ruimte en vertrouwen.
Elke keer dat jij na een moeilijk moment denkt:
“Wat had mijn hond nodig?”
in plaats van:
“Waarom deed hij dit nou weer?”
ben je al anders aan het begeleiden.
13. Trainingsdagboek en evaluatie
Kleine notities, grote inzichten
Een trainingsdagboek hoeft niet ingewikkeld te zijn. Je hoeft geen lange verslagen te
schrijven of elke wandeling tot op de minuut te analyseren. Juist korte, eerlijke
notities helpen je om patronen te zien.
Bij een Pyreneese Berghond is dat heel waardevol.
Vooruitgang is niet altijd groot en opvallend. Soms zit de winst in één seconde
zachter kijken. In sneller herstellen. In een lijn die net iets minder strak wordt. In een
hond die na het zien van een andere hond weer kan snuffelen.Door het op te
schrijven, ga je die kleine stappen beter herkennen.
Dagboekblad
Gebruik dit na een wandeling of trainingsmoment.
Datum:
......................................................................
Route:
......................................................................
Duur van de wandeling:
......................................................................
Aantal honden gezien:
......................................................................
Afstand waarop mijn hond reageerde:
......................................................................
Wat deed mijn hond eerst?
Bijvoorbeeld: hoofd omhoog, bek dicht, staren, stoppen met snuffelen.
......................................................................
......................................................................
Kon hij voer aannemen?
......................................................................
Kon hij snuffelen na de prikkel?
......................................................................
Hersteltijd:
......................................................................
Wat werkte goed?
......................................................................
......................................................................
Wat was te moeilijk?
......................................................................
......................................................................
Wat doe ik morgen anders?
......................................................................
......................................................................
Voorbeeld van een ingevuld dagboekblad
Datum: maandag
Route: veld achter het dorp
Duur: 20 minuten
Aantal honden gezien: 2
Afstand: ongeveer 40 meter
Eerste signaal: hoofd omhoog, bek dicht
Voer: ja
Snuffelen: na ongeveer 8 seconden
Hersteltijd: kort
Werkte goed: boog maken en “zoek maar”
Te moeilijk: tweede hond kwam recht op ons af
Morgen: route kiezen met meer overzicht
Dit soort korte notities zijn genoeg. Je hoeft het niet perfect te doen. Het doel is niet
om jezelf te controleren, maar om je hond beter te leren begrijpen.
Waar kijk je na vier weken naar?
Kijk na vier weken niet alleen naar de vraag: “Blaft hij nog?”
Dat is te beperkt. Vooruitgang zit vaak in veel meer dingen.
Let vooral op:
•
herstelt mijn hond sneller?
•
ziet hij honden zonder meteen te ontploffen?
•
kan ik eerder ingrijpen?
•
blijft de lijn vaker zacht?
•
kan mijn hond vaker snuffelen na een prikkel?
•
kan hij beter omdraaien?
•
neemt hij vaker voer aan?
•
kijkt hij sneller weer naar mij of naar de omgeving?
•
duren uitvallen korter?
•
voel ik mij zelf rustiger en beter voorbereid?
Vooruitgang bij een Pyreneese Berghond kan subtiel zijn. Eén seconde zachter
kijken is al leren. Eén hond zien zonder uitval is waardevol. Eén wandeling waarin jij
op tijd afstand nam, is succes.
Het gaat niet om perfect wandelen.
Het gaat om samen steeds iets eerder rust vinden.
14. Verder na deze maand
Rustig verder bouwen
Na deze maand ga je niet ineens alle afstanden verkleinen. Je hond heeft geleerd
dat afstand, rust en begeleiding helpen. Dat vertrouwen wil je niet verliezen door te
snel te veel te vragen.
Zie de eerste maand als de basis. Je hebt geleerd waar je hond spanning opbouwt,
welke afstand veilig voelt, welke oefeningen helpen en welke routes beter werken.
Vanaf daar bouw je rustig verder.
Mogelijke doelen voor maand twee
Je kunt in de tweede maand werken aan:
•
rustiger blijven bij honden op ongeveer 30 meter;
•
parallel lopen op ongeveer 25 meter;
•
een passeerboog oefenen op een breed pad;
•
sneller herstellen na onverwachte situaties;
•
minder lang fixeren;
•
meer vrijwillig contact met jou;
•
vaker kunnen snuffelen na het zien van een hond;
•
zachtere lijn bij het waarnemen van prikkels;
•
beter reageren op “Deze kant”;
•
meer vertrouwen bij jou én bij je hond.
Kies niet alle doelen tegelijk. Neem er één of twee per week. Kleine stappen blijven
belangrijk.
Wanneer mag de afstand kleiner?
De afstand verklein je alleen wanneer je hond daar klaar voor is.
Dat zie je wanneer hij:
•
ontspannen blijft kijken;
•
nog voer kan aannemen;
•
weer kan wegkijken;
•
kan snuffelen na de prikkel;
•
met jou meebeweegt;
•
niet naar voren hangt;
•
niet fixeert;
•
binnen korte tijd herstelt.
Verklein de afstand niet omdat jij vindt dat het tijd is. En ook niet omdat andere
mensen vinden dat hij “het nu maar moet kunnen”. Jouw hond bepaalt met zijn
lichaam wat haalbaar is.
Vertrouwen groeit door herhaling
Een Pyreneese Berghond groeit in vertrouwen wanneer hij merkt dat jij zijn ruimte
bewaakt. Juist dan hoeft hij het minder zelf te doen.
Elke keer dat jij op tijd een boog maakt, rustig afstand neemt of hem helpt herstellen,
leert hij iets belangrijks:
Mijn mens ziet het.
Mijn mens begrijpt mij.
Ik hoef niet alles alleen te regelen.
Dat is de basis waarop je verder bouwt. Niet met haast, maar met vertrouwen.
15. Werkbladen, checklists en leermomenten
Dit deel maakt van het e-book een echt werkboek. Print deze pagina’s eventueel uit
of gebruik ze als vaste structuur voor je eigen notities.
Werkblad 1: mijn hond leren lezen
Vul dit in op een rustig moment, niet direct na een moeilijke wandeling.
Mijn hond in ontspanning
Hoe ziet mijn hond eruit als hij ontspannen is?
Denk aan staart, oren, ademhaling, bek, ogen, beweging en houding.
......................................................................
......................................................................
......................................................................
Wat doet hij graag als hij zich veilig voelt?
Bijvoorbeeld snuffelen, naast mij lopen, rustig kijken, rollen, langzaam bewegen.
......................................................................
......................................................................
Waar op zijn lichaam voelt hij zacht?
Bijvoorbeeld schouders, ribben, rug, borst, nek.
......................................................................
......................................................................
Mijn hond bij beginnende spanning
Wat is meestal het allereerste signaal?
Bijvoorbeeld hoofd omhoog, bek dicht, staart stijver, stoppen met snuffelen.
......................................................................
......................................................................
Wat zie ik daarna?
......................................................................
......................................................................
Op welk moment kan hij nog voer aannemen?
......................................................................
Op welk moment ben ik eigenlijk te laat?
......................................................................
......................................................................
Mijn leermoment
Wat heb ik vandaag beter gezien dan eerder?
......................................................................
......................................................................
Werkblad 2: veilige afstand bepalen
Niet elke hond heeft dezelfde afstand nodig. Bij een Pyreneese Berghond kan de
veilige afstand in het begin groot zijn. Dat is niet erg. Het is je startpunt.
Mijn hond ziet een hond op ongeveer:
............................................................... meter
Hij blijft rustig op ongeveer:
............................................................... meter
Hij begint te fixeren op ongeveer:
............................................................... meter
Hij blaft of valt uit op ongeveer:
............................................................... meter
Mijn veilige trainingsafstand is voorlopig:
............................................................... meter
Let op
Je veilige trainingsafstand is niet de afstand waarop het nét goed gaat. Het is de
afstand waarop je hond nog ruim genoeg kan ademen, eten, wegkijken en
herstellen.
Mijn notities:
......................................................................
......................................................................
......................................................................
Werkblad 3: beloningen die echt werken
Belonen is persoonlijk. Wat voor de ene hond waardevol is, zegt voor de andere
hond weinig.
Voerbeloningen
Welke voertjes werken goed buiten?
......................................................................
......................................................................
Welke voertjes werken thuis wel, maar buiten niet?
......................................................................
......................................................................
Omgevingsbeloningen
Wat helpt mijn hond ontspannen?
Kruis aan of vul aan.
[ ] Snuffelen in gras
[ ] Afstand nemen
[ ] Achter een auto of heg staan
[ ] Rustig verder wandelen
[ ] Naar huis gaan
[ ] Water drinken
[ ] Even stilstaan
[ ] Een bekende route
[ ] Iets anders: ....................................................
Sociale beloning
Welke stem helpt mijn hond?
[ ] zachte lage stem
[ ] vrolijke stem
[ ] weinig woorden
[ ] stilte werkt beter
Mijn conclusie:
......................................................................
......................................................................
Werkblad 4: mijn noodplan
Schrijf je noodplan op voordat je het nodig hebt.
Mijn vaste noodwoord of zin:
Bijvoorbeeld: “Kom, we gaan.” of “Deze kant.”
......................................................................
Wat doe ik met mijn lichaam?
......................................................................
......................................................................
Waar kan ik op mijn vaste route achter schuilen?
Bijvoorbeeld auto’s, heggen, opritten, muurtjes, bomen.
......................................................................
......................................................................
Wat zeg ik tegen andere eigenaren?
Bijvoorbeeld: “Wij hebben ruimte nodig.”
......................................................................
......................................................................
Wat doe ik na een uitval?
......................................................................
......................................................................
Wat doe ik juist niet meer?
......................................................................
......................................................................
Werkblad 5: didactische leskaart per oefening
Gebruik deze kaart voor elke nieuwe oefening.
Naam van de oefening:
......................................................................
Wat wil ik mijn hond leren?
......................................................................
Waar oefen ik eerst zonder prikkel?
......................................................................
Welke stap is voor mijn hond makkelijk?
......................................................................
Welke stap is nog te moeilijk?
......................................................................
Hoe maak ik het kleiner?
Bijvoorbeeld meer afstand, korter oefenen, minder honden, rustigere plek.
......................................................................
......................................................................
Wanneer stop ik?
......................................................................
Wat is vandaag mijn succes, hoe klein ook?
......................................................................
......................................................................
Weekplanner week 1
Doel van deze week
Rust, observeren, veilige routes kiezen en basisvaardigheden oefenen zonder druk.
Mijn hoofddoel:
......................................................................
Maandag
Oefening:
......................................................................
Wat ging goed?
......................................................................
Wat leerde ik?
......................................................................
Dinsdag
Oefening:
......................................................................
Wat ging goed?
......................................................................
Wat leerde ik?
......................................................................
Woensdag
Oefening:
......................................................................
Wat ging goed?
......................................................................
Wat leerde ik?
......................................................................
Donderdag
Oefening:
......................................................................
Wat ging goed?
......................................................................
Wat leerde ik?
......................................................................
Vrijdag
Oefening:
......................................................................
Wat ging goed?
......................................................................
Wat leerde ik?
......................................................................
Zaterdag
Oefening:
......................................................................
Wat ging goed?
......................................................................
Wat leerde ik?
......................................................................
Zondag evaluatie
Wat zie ik nu beter aan mijn hond?
......................................................................
Welke omgeving was het beste?
......................................................................
Wat was nog te moeilijk?
......................................................................
Wat neem ik mee naar week 2?
......................................................................
Weekplanner week 2
Doel van deze week
Andere honden op grote afstand zien zonder uitval.
Mijn veilige afstand deze week:
............................................................... meter
Mijn beste oefenplek:
....................................................................
Trainingsmomenten
Moment 1:
Wat zag mijn hond?
......................................................................
Kon hij voer aannemen?
......................................................................
Kon hij herstellen?
......................................................................
Moment 2:
Wat zag mijn hond?
......................................................................
Kon hij voer aannemen?
......................................................................
Kon hij herstellen?
......................................................................
Moment 3:
Wat zag mijn hond?
......................................................................
Kon hij voer aannemen?
......................................................................
Kon hij herstellen?
......................................................................
Week 2 evaluatie
Wat was onze beste afstand?
......................................................................
Wanneer werd het te moeilijk?
......................................................................
Wat hielp het meest?
[ ] boog maken
[ ] U-bocht
[ ] zoek maar
[ ] meer afstand
[ ] rustig blijven staan
[ ] TTouch vooraf
[ ] anders: ....................................................
Weekplanner week 3
Doel van deze week
Rustig bewegen op afstand van andere honden.
Mijn oefendoel:
......................................................................
Parallel lopen
Afstand:
............................................................... meter
Hoe lang lukte het?
......................................................................
Wat deed mijn hond goed?
......................................................................
Wanneer zag ik spanning?
......................................................................
Bochten en beweging
Welke bochten werkte goed?
......................................................................
Welke omgeving hielp?
......................................................................
Week 3 evaluatie
Herstelt mijn hond sneller dan in week 1?
......................................................................
Wat mag ik meer vertrouwen?
......................................................................
Wat moet ik nog makkelijker maken?
......................................................................
Weekplanner week 4
Doel van deze week
Toepassen in echte wandelingen zonder te snel moeilijker te maken.
Mijn belangrijkste regel deze week:
......................................................................
Praktijkmoment 1
Situatie:
......................................................................
Mijn actie:
......................................................................
Reactie van mijn hond:
......................................................................
Leermoment:
......................................................................
Praktijkmoment 2
Situatie:
......................................................................
Mijn actie:
......................................................................
Reactie van mijn hond:
......................................................................
Leermoment:
......................................................................
Praktijkmoment 3
Situatie:
......................................................................
Mijn actie:
......................................................................
Reactie van mijn hond:
......................................................................
Leermoment:
......................................................................
Eindreflectie na vier weken
Wat is er verbeterd?
......................................................................
......................................................................
Wat vind ik nog moeilijk?
......................................................................
......................................................................
Wat begrijpt mijn hond nu beter?
......................................................................
......................................................................
Wat begrijp ik nu beter van mijn hond?
......................................................................
......................................................................
Mijn belangrijkste succes:
......................................................................
......................................................................
Mijn plan voor maand twee:
......................................................................
......................................................................
16. Didactiek: hoe maak je training passend voor jouw hond?
Een oefening is pas goed als jouw hond hem kan begrijpen. Niet als hij op papier
mooi klinkt.
Bij een Pyreneese Berghond moet je vaak niet sneller, maar duidelijker en rustiger
werken. Deze hond leert goed wanneer hij ruimte krijgt om na te denken, maar
minder goed wanneer hij onder druk wordt gezet.
Maak de oefening kleiner
Als iets niet lukt, vraag dan niet: “Waarom doet mijn hond dit niet?”
Vraag liever:
•
Was de afstand te klein?
•
Was de prikkel te moeilijk?
•
Duurde de oefening te lang?
•
Was mijn hond al moe?
•
Was ik zelf gespannen?
•
Was de beloning waardevol genoeg?
•
Had ik eerder moeten stoppen?
De vijf manieren om een oefening makkelijker te maken
1.
Meer afstand nemen
Dit is meestal de belangrijkste.
2.
Korter oefenen
Eén goede minuut is beter dan tien moeilijke minuten
3.
Rustigere omgeving kiezen
Minder honden, meer overzicht, minder verrassing.
4.
Makkelijkere prikkel kiezen
Een hond die wegloopt is makkelijker dan een hond die frontaal nadert.
5.
Meer herstel geven
Na één prikkel eerst snuffelen, wandelen of rusten
De lesregel: één moeilijkheid tegelijk
Maak nooit alles tegelijk moeilijker.
Niet én dichterbij, én langer oefenen, én op een drukkere plek, én met een
onbekende hond.
Kies één stap.
Bijvoorbeeld:
•
dezelfde afstand, maar iets langer kijken;
•
dezelfde plek, maar één hond extra;
•
dezelfde oefening, maar iets minder afstand;
•
dezelfde afstand, maar bewegend in plaats van stilstaand.
Wanneer ga je een stap verder?
Pas als je hond meerdere keren laat zien dat hij:
•
kan kijken zonder uitval;
•
voer aanneemt;
•
kan loslaten;
•
kan snuffelen na de prikkel;
•
met jou meebeweegt;
•
binnen korte tijd herstelt.
Wanneer ga je terug naar een makkelijkere stap?
Ga terug wanneer:
•
je hond vaker fixeert;
•
hij geen voer aanneemt;
•
hij na de wandeling onrustig blijft;
•
hij sneller blaft dan eerder;
•
jij zelf weer gespannen wordt;
•
de omgeving te onvoorspelbaar is.
Teruggaan is geen achteruitgang. Het is goed lesgeven.
17. Slotwoord
Een hond die fel uitvalt aan de lijn vraagt veel van je. Zeker als het om een grote,
sterke en zelfstandige hond gaat. Het kan je onzeker maken. Soms schaam je je.
Soms ben je verdrietig omdat je weet hoe lief je hond thuis is, terwijl anderen alleen
dat ene moeilijke moment buiten zien.
Maar je hond is niet alleen dat blaffen. Hij is niet alleen dat trekken. Hij is niet alleen
die uitval.
Hij is ook de hond die bij je in de buurt komt liggen. Die waakt over zijn mensen. Die
veel voelt. Die misschien te veel verantwoordelijkheid op zich neemt. Die moet leren
dat hij niet elke ontmoeting hoeft te regelen.
Met TTouch begin je klein. Eén zachte aanraking. Eén bewuste pauze. Eén rustige
oefening per dag. Met afstandstraining geef je hem ruimte om te leren. Met geduld
geef je hem veiligheid. Met jouw rustige aanwezigheid leert hij dat hij niet alleen is.
Niet de snelheid telt. Het vertrouwen dat onderweg groeit, is belangrijker.
En soms begint dat vertrouwen op een heel gewoon moment: ergens langs een
veld, op ruime afstand van een andere hond, waar jouw Pyreneese Berghond kijkt,
ademt, een voertje aanneemt en daarna weer zijn neus in het gras steekt.
Dat lijkt klein.
Maar voor een hond die altijd dacht dat hij moest reageren, is het een grote stap
naar rust.
De schoonheid van een pyreneese berghond is tijdloos.
Een Pyreneese Berghond in je leven? Wat een geluk! Deze
prachtige reuzen leven met ons, niet voor ons. Wij zijn
Nederlandse liefhebbers net over de grens, hebben geen
kennels maar een warm thuis. Op onze website vind je
eerlijke info en een helder beeld van het ras. Wij fokken
met liefde gezonde, sociale Pyr’s die écht onderdeel zijn
van het gezin. Wees voorbereid: ze blaffen graag, hebben
een veilige omheinde tuin,liefst met graafplek. en waarderen
een sterke band vol vertrouwen. Samen wandelen, samen op
de bank TV kijken – dát maakt ze blij. Ze zijn vrijgevochten,
geen “af-lig-sta”- honden, sterk aan de lijn en dol op
gezelschap of een klein taakje. Wij zien ze niet als
waakhond of kuddebegeleider, maar als trouwe
familiehond. Meer weten? Stuur ons een WhatsApp:
0049-15778697715 of e-mail ons!
info@pyreneese-berghond-du-domaine-de-blanche-neige.com
Pyreneese Berghond Fokker
“A Pyrs Love story never ends…” du domaine de Blanche-Neige